De reis van de Israëlieten en de achtervolging van Farao in het Exodusverhaal
Toen zeide de HEERE tot Mozes: Zeg tot de kinderen Israëls, dat zij zich keren en kampen bij Pi-Hiroet, tussen Migdol en de zee. Zij moeten bij de zee kamp opslaan, recht tegenover Baal Zefon. Farao zal denken: 'De Israëlieten dwalen in het land, in verwarring, omsingeld door de woestijn.' En Ik zal het hart van Farao verharden, opdat hij hen achter zal gaan. Maar ik zal mij verheerlijken door Farao en al zijn leger; en de Egyptenaren zullen weten dat ik de Heer ben" (Ex. En dat deden de Israëlieten. Toen men de koning van Egypte vertelde dat het volk gevlucht was, veranderden Farao en zijn dienaren van gedachte over het volk en zeiden: Wat hebben wij gedaan? Wij hebben de Israëlieten laten gaan en hun dienst ontzegd!"

Joseph